Foto Leo Fijten Smeden en bankwerken 1954

BEN GRUTTERS
1936 – 1937 SMEDEN BANKWERKEN (SMB)

Grutters - een man met een geheugen als een ijzeren pot -werd geboren 1922. Hij woonde op de Geitenkamp. In april 1936 belandde hij op de Ambachtsschool om het vak smeden onder de knie te krijgen. De lessen waren 8.15 tot 12.00 uur en van 13.30 tot 17.00 uur. De opleiding duurde twee jaar. “Je moest eerst toelatingsexamen doen,”vertelt hij. Tussen de middag ging hij op de fiets naar huis. Dat je een fiets had, was iets bijzonders. Zijn vader had voor hem een afgekeurde fiets van het leger gekocht.
Alleen de jongens van buiten en van het weeshuis, bleven 's middags over. “Ederveen, Otterlo, Elst, Zevenaar,' plaatsen die hij zich herinnert van klasgenoten. “Dat was een hele bedoening. Ze kwamen met de trein of met de bus. Ik was een van de weinigen die driemaandelijks fl 6,30 schoolgeld moest betalen. Mijn vader was politieagent en daarmee behoorde je tot de wat beter gesitueerden. De werkelozen kwamen in die dagen met trossen van de Dr. Schaepmanlaan af om te stempelen. Er waren 500.000 werkelozen op acht miljoen Nederlanders. De meeste jongens die op de Ambachtsschool zaten moesten een kwartje gereedschapsgeld betalen. Ik denk dat ik samen met Henk Bremer, ook de zoon van een politieman en Freek Vermeulen wiens vader inspecteur van politie was, de enigen waren die schoolgeld betaalden. Er waren in die tijd metselaars, timmerlui, kleermakers, twee klassen bankwerkers, autotechniek en schilders. Bij elkaar zo'n 250 leerlingen, schat ik. Voor die dagen een grote school. Waar nu de deur naar de binnenplaats is, stond in die dagen een half in elkaar gezakte stoomwasserij (Steam Laundry). Meneer Covens, de directeur stond altijd bij de ingang 'het publiek aan te kijken'. Je mocht nooit te laat komen. Briefjes telden niet. Je werd meteen teruggestuurd. Je kreeg een aantekening op je rapport en moest tenminste een zaterdagmiddag terugkomen; de binnenplaats aanvegen met een stel trawanten.”
Meester Toorneman in het vaktekenlokaalOok namen kan hij zich gemakkelijk herinneren. “Meester van Beusekum gaf bankwerken. Meester Bouma gaf vaktekenen. Hij werd Buzio (red= een befaamde clown) genoemd, omdat hij daar sprekend op leek. Brandsma de conciërge, was de opvolger van Pabst. Meester Toorneman was leraar vaktekenen en adjunct directeur. Hij kwam oorspronkelijk van Stork uit Hengelo af. Meester Bartels ('de bol') gaf voortgezet lager onderwijs. Hij werd ook wel 'de schrik van Gorissen' genoemd. Dat was een hoedenzaak op de Hommelseweg. Het verhaal ging dat als Bartels daar binnenkwam iedereen achter uit week, omdat ze geen hoed voor hem hadden. Meester Kiezenbrink leunde altijd tegen de deurpost. Bartels was een beste man, maar had vaak het meest te verduren. In tegenstelling tot anderen leraren, mocht je bij hem de laatste tien minuten van een les vragen stellen.”

Paraplu
Anekdotes blijven het best in de herinnering bewaard;
Meester Bartels geeft voortgezet lager onderwijs “Meester Bartels sprak nogal 'met consumptie'. Henk Bremer zat vooraan in de klas en dus in de vuurlinie. Op een keer had hij bij de Hema een potlood gekocht met een ingebouwd parapluutje. Toen Bartels weer een keer stond te sputteren stak Henk z'n parapluutje op. Daverend gelach in de klas. 'D'r uit, naar de conciërge,' riep Bartels woest. En zo moest Henk op zaterdagmiddag aan 't vegen.

Kapothoedje of kapotje
In die tijd leefde koningin Emma nog. Zij droeg altijd een hoed met linten, kapotje genoemd, op haar hoofd. Piet Peters vroeg aan Bartels:' Meneer ik zou graag weten, wat een kapotje is.' Bartels reageerde argeloos met: 'Dat is zo'n hoedje, dat de koningin wel eens draagt.' 'Dat bedoel ik niet', antwoordde Piet. Toen ging er een lichtje branden en had Piet een zaterdagmiddag aan de broek.

Roze bord
We schreven nog met kroontjespennen. Om de inkt sneller te laten drogen, werd er een vloeitje op gelegd. Op een keer kregen we dun roze vloeipapier. We maakten er natte propjes van en als Bartels op het bord stond te schrijven gooiden we ze tegen het bord. Hij keek om en ging dan weer verder met schrijven. Op het laatst was het hele bord roze.

Oosterbeek
Meester Zeedijk gaf vaktekenen. Het was een kleine man die een beetje lispelde. We tekenden machines, staalconstructies, motoren, stoommachines, turbines. In zijn les spleten we de kroontjespen en staken er een stukje vloeipapier tussen als vleugeltjes. Als hij even niet keek schoten we de kroontjespennen naar het plafond. Op het laatst leek het plafond op de luchtlandingstroepen in Oosterbeek in 1944. Dan kwam meneer Covens en hadden we weer een zaterdagmiddag te pakken. Zelf heb ik er maar twee gehad. Ik was een brave jongen. Vooral de groteren haalden dat kattenkwaad uit.

Tikken
In het tekenlokaal zaten koperen knopjes aan het gordijnkoord. Met een klosje garen hadden ze daar een draadje aan gemaakt. Telkens als Zeedijk stond te praten tikte het knopje ergens tegenaan. 'Ik kan zo geen les geven,' zei Zeedijk. Op een bepaald moment knapte het draadje dat reikte zo ver als Pabst, de jongen naast mij. Dus die moest op zijn knieën voor het bord. 'Dan ga ik er wel naast zitten,' zei ik. 'Want hij heeft het niet gedaan.' Zeedijk was fideel genoeg om de straf niet door te laten gaan.
Drie dagen was de zwaarste straf, dat was een ernstig vergrijp. Als je teveel straf had gehad kreeg je geen diploma. Toorneman had zijn lesbrieven op papier staan. Die moest je thuis overschrijven en de volgende dag weer inleveren. Als je het niet klaar had, had je niets. Als je de lesbrief ook niet bij je had, mocht je hem meteen ophalen en kreeg je een zaterdagmiddag.

Carbid
Meester van de Linden in de smederij. Op de achtergrond de smidsvurenBij meester van de Linden kregen we smeden. Elke veertien dagen moesten we de carbidbakken schoonmaken. Er werd toen nog niet met flessengas gewerkt. Op de binnenplaats stond een gashuisje. We hadden een paar grote jongens in de klas, onder andere Jules Heklinger, een zoon van het helderziend medium Heklinger uit de buurt van de Spijkerlaan en ene Vermeulen. Zij hadden met elkaar afgesproken dat ze allemaal een klontje carbid in de zak zouden steken, wanneer ze de bakken schoon moesten maken. De volgende ochtend toen ze na de timmerlui lager onderwijs kregen, gooiden ze dat klontje in de inktpot. We waren nog maar nauwelijks binnen of de eersten riepen al: 'O, meester, kijk toch eens.' De inkt spoot over de banken. We probeerden natuurlijk om de timmerlui de schuld te geven. De Bol wilde geen les meer geven. Covens stuurde ons naar huis, maar we hadden wel allemaal een zaterdagmiddag aan onze broek.

Meester Van de Velden gaf bankwerken. Onze voornaamste bezigheid was vijlen, vijlen en nog eens vijlen. Hij kwam van de Spoorwegen en kon heel goed achter uit zijn keel praten als iets hem niet aanstond. Op een keer waffelde hij die grote kerels - die in het magazijn de lijn zaten te trekken - eruit, daar lusten de honden geen brood van.
Bij meester van der Linden die vuursmeden gaf, maakten we beddenkruiken. Als hij weg was vulden we de kruik met gas en deden de dop er half op. Dan even in met de gasbrander ertegen met een harde knal vloog de dop eraf. Van der Linden was dan zo terug in het lokaal.
Meester Slemkes gaf handtekenen en had een grote kuif. Meester Buiskool gaf autotechniek. Hij had een vaststaand grapje. In de werkplaats stond een grote Austin. Daar moesten we allemaal omheen gaan staan. Een moest de bobine vasthouden en de anderen de auto. Dan kreeg je een stroomstoot.
Meester Kroeger gaf smeden. Die kon goed schoppen. Hij was de vader van de latere keeper van Vitesse.
Meester Hes was ook een tekenleraar die later adjunct werd. 'Jopie' werd hij genoemd.

Examen
Grutters was een van de best geslaagden van zijn groep. Hij ging werken bij Rijnstaal in de pijptrekkerij en maakte bagagedragers. Daarna een maand of drie bij Stokvis in de automaatdraaierij. “Heel zwaar werk,” weet hij. Toen bij de PGM. “Ik begon met kappen uitdeuken van de meters, zandstralen en spuiten. Daarna borden maken die in de transformatorhuisjes werden gebruikt om schakelkasten op te zetten. Daarna kwam ik bij de servicedienst. Voor m'n veertigste werd ik werkplaatsbaas. Later ging ik ook de provincie in.” Bij de PGM heeft hij ook een punt achter zijn werkzame leven gezet.